Leerlingentelling op 1 februari 1999
Eén februari is een belangrijke dag voor alle onderwijsinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap: op die datum worden alle kleuters, leerlingen en scholieren officieel geteld. Het is op basis van deze cijfers dat elke individuele school en vestigingsplaats het aantal lestijden toebedeeld krijgt dat zij tijdens het volgende schooljaar kunnen organiseren. En deze lestijden op hun beurt bepalen het aantal ambten en klassen dat de scholen kunnen inrichten. Ook de VGC organiseert op 1 februari een leerlingentelling. Deze telling moet ons niet alleen toelaten de officieuze cijfers van de spoedtelling van 1 september te toetsen, maar moet ons ook vooral de nodige inzichten verstrekken inzake enerzijds de samenstelling van de schoolbevolking in de verschillende onderwijsniveaus en anderzijds de doorstroming van het ene onderwijsniveau naar het andere.
Deze pagina geeft de volgende resultaten:
Vergelijking van de spoedtelling en de officiële telling
| aantal leerlingen | verschil |
| 01.09.98 | 01.02.99 | aantal | relatief |
kleuteronderwijs lager onderwijs secundair onderwijs | 8446 10963 11462 | 9477 10949 11492 | +1031 -14 +30 | +12.21% -0.13% +0.26% |
| totaal | 30871 | 31918 | +1044 | +3.38 |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding)
In het basis- en het secundair onderwijs zitten samen 31.918 kinderen. Negen jaar geleden, op 1 februari 1990, waren er maar 28.332. In deze beperkte periode steeg de bevolking van het Brussels Nederlandstalig onderwijs met maar eventjes 3.583 eenheden of met 12,65 %.
De verschillen op het lager en secundair niveau zijn, zoals verwacht, te verwaarlozen : op leerplichtige leeftijd verandert men in de loop van het schooljaar niet zo maar van school, en zeker niet van gewest naar gewest.
In het kleuteronderwijs ziet de toestand er anders uit : daar is het aantal gestegen met 1.031 of 12,21 %. Deze grote sprong voorwaarts is de op een na grootste sinds de VGC de februaritelling organiseert. Hij wordt verklaard door de nog steeds toenemende aantrekkingskracht van onze Nederlandstalige kleuterscholen, waar de kinderen op de eerste dag na elke schoolvakantie nog altijd toegelaten worden wanneer zij op die datum 2 ½ jaar geworden zijn.
1. Kleuteronderwijs
1.1 Kleuteraantallen op 01.02.1998 en op 01.02.1999
| net | aantal leerlingen | evolutie |
| 01/02/1998 | 01/02/1999 | aantal | relatief |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 2690 2648 3838 | 2788 2682 4007 | 98 34 169 | +3.6% +1.3% +4.4% |
| totaal | 9176 | 9477 | 301 | +3.3% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) Op 1 februari 1999 telde het kleuteronderwijs 301 kinderen (+ 3,28 %) meer dan op 1 februari van vorig jaar : het ging van 9.176 naar 9.477.
1.2 Herkomst van de kleuters naargelang hun woonplaats
| net | binnen Brussels gewest | buiten Brussels gewest |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 2416 2314 3169 | 86.7% 86.3% 79.1% | 372 368 838 | 13.3% 13.7% 20.9% |
| totaal | 7899 | 83.3% | 1578 | 16.7% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) De overgrote meerderheid van de kleuters, 7.899 of 83,3 % woont binnen het Brusselse hoofdstedelijk gewest terwijl de overige 1.578 of 16,7 % buiten Brussel wonen.
1.3 Herkomst van de kleuters naargelang hun culturele achtergrond
| net | Belgische achtergrond | buitenlandse achtergrond |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 1401 1639 2654 | 50.3% 61.8% 66.2% | 1387 1043 1353 | 49.7% 38.2% 33.8% |
| totaal | 5694 | 60.3% | 3783 | 39.7% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) Qua culturele achtergrond - deze komt niet overeen met de nationaliteitsgegevens van de kleuters - kan vastgesteld worden dat 5.694 kleuters (60,3 %) een Belgische en 3.755 (39,7 %) een niet Belgische culturele achtergrond hebben.
1.4 Herkomst van de kleuters naargelang hun gebruikelijke gezinstaal
| net | homogeen Nederlandstalig | taalgemengde gezinnen | homogeen Franstalig | homogeen anderstalig |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 314 357 844 | 11.3% 13.3% 21.3% | 533 717 991 | 19.1% 26.7% 24.9% | 882 960 1381 | 31.6% 35.8% 33.6% | 1059 648 791 | 38.0% 24.2% 20.2% |
| totaal | 1515 | 16.1% | 2241 | 23.7% | 3223 | 33.6% | 2498 | 26.6% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding)
De culturele achtergrond heeft uiteraard te maken met de taal, die gebruikelijk is in de gezinnen van de kleuters. In de voorbije tien jaar nam het aantal kleuters, in wiens gezin het Nederlands actief aanwezig is - de kinderen uit homogeen Nederlandstalige gezinnen en de taalgemengde gezinnen - stelselmatig af met dien verstande dat de daling van het aantal homogeen Nederladstalige kleuter gedeeltelijk ondervangen wordt door het toenemende aantal taalgemengde kinderen. Van 4.373 in 1989-90 daalde het aantal homogeen Nederlandstalige- plus taalgemengde kleuters tot minstens 3.746. Hun aandeel daalde tot 39,8 %. Anderzijds steeg het aantal kinderen uit homogeen Franstalige en homogeen anderstalige gezinnen van 2.167 tot minstens 5.654, waardoor hun aandeel in de totale kleuterschoolbevolking groeide van 33,1 % tot 60,2 %.
2. Lager onderwijs
2.1 Leerlingenaantallen op 01.02.1998 en op 01.02.1999
| net | aantal leerlingen | evolutie |
| 01/02/19998 | 01/02/1999 | aantal | relatief |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 2428 2483 5664 | 2540 2604 5805 | +112 +121 +141 | +4.6% +4.9% +2.5% |
| totaal | 10575 | 10949 | +374 | +3.5% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) In vergelijking met 1 februari van het vorige schooljaar kende het aantal leerlingen opnieuw een forse stijging : het nam met 374 of 3,54 % toe van 10.575 tot 10.949. De kaap van de 11.000 werd net niet gerond.
2.2 Herkomst van de leerlingen naargelang hun woonplaats
| net | binnen Brussels gewest | buiten Brussels gewest |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 2038 2127 3922 | 80.2% 81.7% 67.5% | 502 477 1883 | 19.8% 18.3% 32.4% |
| totaal | 8087 | 73.8% | 2862 | 26.1% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) 8.087 of 73,8 % van deze leerlingen wonen binnen het Brusselse hoofdstedelijk gewest; de overige 2.866 of 26,5 % wonen buiten Brussel.
2.3 Herkomst van de leerlingen naargelang hun culturele achtergrond
| net | Belgische achtergrond | buitenlandse achtergrond |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 1425 1722 4509 | 56.1% 66.1% 77.7% | 1115 882 1296 | 43.9% 33.9% 22.3% |
| totaal | 7656 | 69.9% | 3293 | 30.1% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) De overgrote meerderheid van de leerlingen, 7.613 of 69,3 %, heeft een Belgische culturele achtergrond terwijl de overige 3.284 of 30,1 %, een buitenlandse culturele achtergrond bezitten.
2.4 Herkomst van de leerlingen naargelang hun gebruikelijke gezinstaal
| net | homogeen Nederlandstalig | taalgemengd | homogeen Franstalig | homogeen anderstalig |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel |
gemeentelijk onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 533 519 2002 | 21.0% 19.9% 34.5% | 669 853 1577 | 26.3% 32.8% 27.2% | 571 689 1470 | 22.5% 26.5% 25.3% | 767 543 756 | 30.2% 20.9% 13.0% |
| totaal | 3054 | 27.9% | 3099 | 28.3% | 2730 | 24.9% | 2066 | 18.9% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) Zeker in het lager onderwijs is de gebruikelijke gezinstaal van de leerlingen een belangrijk gegeven. Dit criterium is de taal die meestal in de gezinnen gesproken wordt en dus niet de taal of de talen die de leerlingen zelf kennen en kunnen spreken.
Qua gebruikelijke gezinstaal ziet de toestand er als volgt uit. 3.036 (28.0%) komen uit een homogeen Nederlandstalig, 3072 (28.3%) uit een taalgemengd, 2.701 (24.4%) uit een homogeen Franstalig en 2048 (18,9%) uit een homogeen anderstalig gezin. Ook hier kan gesteld worden dat het Nederlands aanwezig is in de gezinnen van 6.108 (56,3%) leerlingen.
3. Secundair onderwijs
3.1 Aantal scholieren op 01.02.1998 en op 01.02.1999
| net | aantal scholieren | evolutie |
| 01/02/1998 | 01/02/1999 | aantal | relatief |
off. gesubs. onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 1395 3245 7052 | 1360 3196 6936 | -35 -49 -116 | -2.5% -1.5% -1.6% |
| totaal | 11692 | 11492 | -200 | -1.7% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding)
3.2 Scholieren naargelang de woonplaats
| net | binnen Brussels gewest | buiten Brussels gewest |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel |
off. gesubs. onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 608 1736 2171 | 44.7% 54.3% 31.3% | 752 1460 4765 | 55.3% 45.7% 68.7% |
| totaal | 4515 | 39.3% | 6977 | 60.7% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) "Slechts" 4515 scholieren of 39,3 % wonen binnen het Brusselse hoofdstedelijk gewest; de andere 6.977 of 60,7 % wonen buiten Brussel. Rekening houdend met de cijfers over het basisonderwijs is het niet verwonderlijk dat het aantal en het percentage Brusselaars tijdens de voorbije jaren aanzienlijk toegenomen zijn.
3.3 Scholieren naargelang hun culturele achtergrond
| net | Belgische achtergrond | buitenlandse achtergrond |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel |
off. gesubs. onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 1180 2672 6368 | 86.8% 83.6% 91.8% | 180 524 568 | 13.2% 16.4% 8.2% |
| totaal | 10220 | 88.9% | 1272 | 11.1% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding) Qua culturele achtergrond is er een gevoelig verschil met hert basisonderwijs.In de secundaire scholen hebben 10.220 scholieren (88.9%) een Belgische culturele achtergrond, terwijl amper 1272 of 11.1% van hen een buitenlandse culturele achtergrond hebben.
3.4 Scholieren naargelang hun gebruikelijke gezinstaal
| net | homogeen Nederlandstalig | taalgemengd | homogeen Franstalig | homogeen anderstalig |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel |
off. gesubs. onderwijs gemeenschapsonderwijs vrij onderwijs | 703 1548 4621 | 51.7% 48.4% 66.6% | 316 1076 1219 | 23.2% 33.7% 17.6% | 209 282 747 | 15.4% 8.8% 10.8% | 132 290 349 | 9.7% 9.1% 5.0% |
| totaal | 6872 | 59.8% | 2611 | 22,7% | 1238 | 10.8% | 771 | 6.7% |
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding)
3.5 Eerste jaar secundair onderwijs
| net | uit Nederlandstalig lager onderwijs binnen Brussel | uit Nederlandstalig lager onderwijs buiten Brussel | uit Franstalig lager onderwijs | onbekend of andere herkomst |
| aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel | aantal | aandeel |
GM GO GV | 124 396 696 | 68.1% 82.5% 53.5% | 55 75 550 | 30.2% 15.6% 42.3% | 1 2 5 | 0.6% 0.4% 0.4% | 2 7 49 | 1.1% 1.5% 3.8% |
| totaal | 1216 | 62.0% | 680 | 34.7% | 8 | 0.4% | 58 | 3.0% |
(GM: officieel gesubsidieerd onderwijs; GO: gemeenschapsonderwijs; GV: vrij gesubsidieerd onderwijs)
(Overname van cijfers toegestaan mits bronvermelding)
Van de 1.962 scholieren in het eerste jaar zijn er 1.216 (61,98 %) afkomstig uit het Nederlandstalig lager onderwijs in Brussel; 680 (34,66 %) zijn afkomstig uit een lagere school in Vlaanderen; amper 8 (0,41 %) komt uit het Franstalig lager onderwijs en van 58 (2,96 %) is de lagere schoolherkomst statistisch onbekend. Van deze laatste groep is ongeveer de helft terug te vinden in een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers.