Het Brussels Nederlandstalig onderwijs zoals we dat vandaag kennen, kent zijn kiemen in 1881. Het heeft echter een hele evolutie gekend. In een tijd dat het ‘Brussels Vlaams’ door de meerderheid van de Brusselse inwoners gesproken werd, was er geen Vlaams onderwijs. Nu het Nederlands slechts door een minderheid thuis gesproken wordt, groeit het Brussels Nederlandstalig onderwijs als kool. Een historisch overzicht…
- de voorgeschiedenis (1830-1963)
- de taalwetten van 1963 en de eerste promotiecampagnes (1963-1971)
- herinvoering van de ‘liberté du père de famille’ en de eerste maatregelen (1971)
- kwantitatief overleven in het basisonderwijs (1971-1990)
- de periode 1990-nu in het basisonderwijs
- en het secundair onderwijs? (1990-nu)
- en andere onderwijsvormen?
1.1 De voorgeschiedenis (1830-1963)
Vanaf de Belgische revolutie tot 1878 was de taaltoestand in de weinige lagere scholen van 'Brussel-Stad' zeer eenvoudig: er werd alleen les gegeven in het Frans. 'Le Flamand' was wel een verplicht vak, maar met een minimaal belang (in het rapport telde 'Vlaams' mee voor 15 punten, het vak ‘tekenen’ woog 20 punten). Nochtans was het overgrote deel van de kinderen van huis uit 'Vlaamschtalig': in een enquête in een gemeentelijke school zegden drie leerlingen thuis Frans te spreken, de andere 177 Nederlands (of althans het Brusselse dialect). In de (weinige) middelbare scholen was de voertaal, net als in Vlaanderen, het Frans.
Op het eind van de 19de eeuw zijn er 'experimenten' met les in het Nederlands in het gemeentelijke onderwijs (Brussel-Stad). In 1881 voerde Karel Buls, toen Schepen van Onderwijs van de stad Brussel, de zgn. ‘transmutatieklassen’ in. Daarbij werden in de eerste twee leerjaren alle lessen in het Nederlands gegeven en pas later volgde geleidelijk de overschakeling naar het Frans. Franstalige leerlingen kwamen –uiteraard- meteen terecht in ééntalig Franstalig onderwijs. Ondanks de goede bedoelingen werkte dit systeem een versnelde verfransing in de hand: Nederlandstalige ouders kregen het advies hun kinderen zo snel mogelijk naar het Franstalig onderwijs te sturen, want "met het Frans raak je vooruit in het leven". De 'liberté du père de famille' of de 'vrijheid van het gezinshoofd' stond dat toe: de ouder mocht vrij de onderwijstaal van zijn kinderen kiezen, ongeacht de thuistaal. Gevolg: wie in staat was om snel enkele woorden Frans te leren, verhuisde naar een Franstalige klas; wie dat niet deed, bekende dus niet in staat te zijn Frans te leren. Iedere ouder die ook maar énige kans zag om zijn kind(eren) niet naar een ‘Vlaamse’ klas te laten gaan, greep die gretig.
Het kwantitatieve gevolg was duidelijk: na de Eerste Wereldoorlog was er binnen Brussel Stad géén enkele Nederlandstalige klas meer over. In 13 gemeenten rond Brussel-Stad waren er in 1916 1592 Franse en 441 Vlaamse klassen, terwijl er toen vier keer minder Franstaligen dan Nederlandstaligen en tweetaligen samen woonden…
Na de Eerste Wereldoorlog stelden nieuwe taalwetten dat de moedertaal van het kind de onderwijstaal moest zijn. In Brussel kwam daar niets van terecht: de Franstaligen eisten (en kregen) de bevestiging van de 'liberté du père de famille': de ouder mocht vrijuit kiezen naar welk onderwijssysteem hij zijn kind(eren) mocht sturen. Reclamecampagnes als "Wilt gij dat uw kind slaagt in het leven? Dan is het noodzakelijk dat zij geplaatst worden vanaf het eerste schooljaar in eene Fransche klas" lokten kinderen naar het Franstalig onderwijs. Het lijken wel de voorlopers van de Nederlandstalige affiches vijftig jaar later…
1.2 De taalwetten van 1963 en de eerste promotiecampagnes (1963-1971)
Na veel tribulaties werden in 1963 belangrijke grondstenen voor het huidig Belgische onderwijsmodel gelegd:
- de taalgrens werd vastgelegd: Brussel wordt definitief als tweetalig gebied erkend, maar blijft even definitief beperkt tot de 19 gemeenten.
- De taalwetten stellen dat de onderwijstaal in Vlaanderen het Nederlands is, in Wallonië het Frans en in Duitstalig België het Duits.
Diezelfde onderwijstaalwet stelde dat in de tweetalige Brusselse agglomeratie de onderwijstaal ofwel het Nederlands, ofwel het Frans is. De keuze wordt bepaald door de moedertaal (of de gebruikelijke thuistaal) van het kind. De vader moet verklaren wat de thuistaal is. Hiermee werd de ‘vrijheid van het gezinshoofd’ afgeschaft: de thuistaal werd automatisch ook de onderwijstaal. Vanaf 1963 was het Nederlandstalig onderwijs er voor de Nederlandstaligen, het Franstalig onderwijs voor de Franstaligen. De taalinspectie moest nagaan of de taalverklaring van de ouder overeenstemt met de feitelijke thuistaal. De werkelijkheid bleef echter dat heel veel Nederlandstalige ouders verklaarden thuis Frans te spreken om aldus hun kind in de Franstalige vaart der volkeren te laten opstoten… En de taalinspectie trad niet op.
Het Vlaams OnderwijsCentrum (VOC, opgericht in 1967) begon met de allereerste promotiecampagnes voor het Brussels Nederlandstalig onderwijs: de onderwijsgidsen in 1968 en affichecampagnes in 1969. Bedoeling was om het Nederlandstalig onderwijs te promoten bij… Nederlandstaligen.
1.3 Herinvoering van de ‘liberté du père de famille’ en de eerste maatregelen (1971)
In 1971 werd de 'liberté du père de famille' opnieuw ingevoerd – op vraag van het FDF (Front Démocratique des Francophones). De koppeling ‘thuistaal = schooltaal’ werd losgelaten. Het FDF (en ook anderen) dacht dat, wanneer de ouders opnieuw vrij de onderwijstaal voor hun kind(eren) konden kiezen, er een massale overgang naar het Franstalig onderwijs zou zijn. En als het Nederlandstalig onderwijs zou wegkwijnen, verdwijnt op termijn de laatste Vlaming uit Brussel, dacht het FDF. De Nederlandstaligen moesten noodgedwongen akkoord gaan met de herinvoering van de liberté du père de famille, maar dwongen als tegenprestatie goede Nederlandstalige onderwijsvoorzieningen in de hoofdstad af:
- een peuterplan om in Brussel 104 peutertuinen op te richten, zodat ook kinderen vanaf 18 maanden meteen in het Nederlands konden worden opgevangen. Later vormde de NCC dit peuterplan om tot een kinderdagverblijvenplan, om ook kinderen vanaf de leeftijd van 6 weken in het Nederlands op te kunnen vangen. (In 1971 waren er welgeteld drie (3!) Nederlandstalige kinderdagverblijven in de Brusselse agglomeratie).
- de splitsingsnormen voor het lager onderwijs werden verlaagd, zodat met een minimumaantal leerlingen een zesklassige lagere school kon worden georganiseerd. Uitgangspunt was dat voor een aantrekkelijk Vlaams onderwijs in Brussel zesklassige lagere scholen nodig waren, net zoals die er waren in het Franstalig onderwijs.
- De aanstellingsregels voor een directie zonder klas werden versoepeld.
Dat het basisonderwijs en de voorschoolse instellingen prioritaire aandacht kregen, was niet vreemd: zij vormden immers de ‘wortels’ van het secundair onderwijs en van de Vlaamse gemeenschap in Brussel. Maatregelen t.a.v. het secundair onderwijs waren aldus niet nodig: op termijn zou dit automatisch ‘profiteren’ van de maatregelen in de voorschoolse sector en het basisonderwijs. Maatregelen in het hoger en volwassenenonderwijs waren nog minder nodig: zij richtten zich van oudsher tot het Nederlandstalige deel van de Brusselse bevolking, maar eigenlijk nog meer tot Nederlandstaligen van buiten Brussel.
1.4 Kwantitatief overleven in het basisonderwijs (1971-1990)
Iedereen dacht dat het Brussels Nederlandstalig onderwijs bij de herinvoering van de ‘vrijheid van het gezinshoofd’ (opnieuw) massaal leerlingen zou verliezen. Wie de leerlingencijfers van het basisonderwijs uit de zeventiger jaren terug onder ogen neemt, leest daar dat deze vermoedens aanvankelijk bewaarheid werden. In het schooljaar 1966-67 waren er 6089 kleuters en 15611 leerlingen in het Brussels Nederlandstalig onderwijs ingeschreven. In 1975-1976 (negen jaar later, en vier jaar na de herinvoering van de ‘liberté du père de famille’) was dit al teruggelopen tot 5401 kleuters en 11839 leerlingen.
Het peuterplan en de Brusselnormen werden echter realiteit. Het VOC ging door met de promotiecampagnes voor het Brussels Nederlandstalig onderwijs: de onderwijsgidsen en affichecampagnes, boodschappen op de toenmalige BRT, ooit zelfs een vliegtuigje met spandoek aan de Belgische kust… (Vanaf 1976 nam de NCC de jaarlijkse promotiecampagne van het VOC over. Het VOC bleef wel de VOC-gidsen uitgeven.) In 1976 werden in het kleuteronderwijs de klassplitsingsnormen verlaagd opdat een kleuterschool snel (minstens) drie klassen zou tellen. Scholen kregen, dankzij het VOC en de financiële steun van de NCC, de mogelijkheid om activiteiten zoals openluchtklassen (“stadskinderen hebben nood aan gezonde buitenlucht en moeten de natuur leren kennen”) en sociaal-culturele uitstappen te organiseren. En in het Brussels Nederlandstalig onderwijs kreeg je meer dan een mondje Frans te leren, evengoed als in het Franstalig onderwijs. Daarmee kon het Brussels Nederlandstalig basisonderwijs zich presenteren als een volwaardig onderwijsnetwerk met eerder kleine jaarklassen dat inspeelde op moderne stedelijke evoluties. Deze argumenten zouden voldoende (Nederlandstalige) leerlingen moeten aantrekken om de Nederlandstalige gemeenschap in Brussel levensvatbaar te houden.
En dit lukte langzamerhand: vanaf 1978-1979 begon het aantal kleuters te stijgen, enkele schooljaren nadien gevolgd door een stijging in het lager onderwijs.
De stijgingen waren en zijn echter niet te wijten aan een vernieuwde instroom van Nederlandstaligen. Integendeel, het aantal Nederlandstalige kleuters en leerlingen is sedert begin van de tachtiger jaren (vanaf het moment dat er daaromtrent cijfergegevens waren) steeds gedaald. Wat gebeurde er wel?
In de loop van de tachtiger jaren organiseerde de NCC gerichte tweetalige promotiecampagnes naar taalgemengde gezinnen (waarbij één van de ouders Nederlandstalig is, de andere Franstalig). Met deze campagnes wilde de NCC het Nederlandstalig onderwijs als een volwaardig alternatief voor hun kinderen propageren: “enkel in het Nederlandstalig onderwijs wordt men immers twee- en meertalig”, “l’avenir est aux bilingues”. Een (onvoorzien en ongewild) neveneffect was echter dat ook kinderen uit Franstalige autochtone gezinnen (Franstalige vader en moeder) in het Nederlandstalig onderwijs begonnen binnen te sijpelen.
Kleine(re) leerlingengroepen in volwaardige scholen (3 kleuterklassen en 6 lagere klassen), het aanvoelen dat het Nederlandstalig onderwijs kwaliteitsvoller was dan het Franstalig onderwijs, de instroom van leerlingen van allochtone herkomst in het Franstalig onderwijs, het langzaam groeiend besef dat beheersing van Nederlands én Frans nodig zijn om een goede positie in Brussel te verwerven, … werkten deze evolutie in de hand.
Enkele jaren nadien werd deze instroom van Franstalige autochtone leerlingen gevolgd door een instroom van niet-Nederlandstalige leerlingen van allochtone herkomst. Eerste kwamen de meisjes (vooral omdat de klassen kleiner waren en het toezicht dus groter), nadien de jongens.
De leerlingenpopulatie van het Brussels Nederlandstalig basisonderwijs evolueerde zodoende van quasi homogeen Vlaams-Nederlandstalig tot meertalig en multicultureel (waar de Nederlandstaligen een minderheidspositie innemen). Het Brussels Nederlandstalig onderwijs werd (en wordt) door de groep niet-Nederlandstaligen veelal beschouwd als een kwalitatief middel om het Nederlands te verwerven en dus meertalig te worden. Dit argument is trouwens ook (veelvuldig) gebruikt in promotiecampagnes en door de politieke beleidsmakers. En wie meertalig is in Brussel, heeft een streepje voor op de (latere) arbeidsmarkt. Eén en ander bleef echter niet zonder gevolgen…
1.5 De periode 1990-nu in het basisonderwijs
De niet-Nederlandstaligen verwierven aanvankelijk vrij automatisch het Nederlands in het Nederlandstalig onderwijs. Begin jaren negentig veranderde dit: door het aantal en aandeel niet-Nederlandstaligen in de klasgroepen verliep de integratie en taalverwerving binnen de bestaande systemen – die op klassen vol Nederlandstalige leerlingen waren gericht - niet meer vanzelfsprekend.
Als reactie startte de Vlaamse Gemeenschapscommissie (die in 1989 de NCC opvolgde) een reeks nieuwe maatregelen voor het Brussels Nederlandstalig onderwijs, waarin de opvang en integratie van niet-Nederlandstalige leerlingen centraal stond. Zo werden ondersteunende diensten opgericht (Taalvaart in 1989, Triptiek en BITS² in 1994, het Nascholingscentrum vzw in 1997), werden vernieuwende taalmethodes aangekocht en verspreid naar de scholen (Toren van Babbel vanaf 1994),… Eerdere maatregelen, zoals de Brusselnormen en de ondersteuning vanuit VOC en NCC bleven bestaan.
Overigens: ook op ruimer (Vlaams) vlak stak de nood aan kwaliteitsondersteuning rond taal en cultuur de kop op. Vlaanderen richtte, voor het geheel van het Vlaams onderwijs, het SteunPunt NT2 (1990) en het SteunPunt ICO op, het project ‘Onderwijsvoorrangsbeleid’ (OVB)zag het licht, de schoolopbouwwerk-methodiek werd ontwikkeld…
Met de oprichting van Voorrangsbeleid Brussel vzw in 2000 kristalliseerde zich een nieuwe fase in de ondersteuning. Ten eerste engageerde de Vlaamse Gemeenschap zich in de kwalitatief-inhoudelijk ondersteuning. Ten tweede braken het ‘verhogen van leerkrachtvaardigheden’ en ‘taalvaardigheidsonderwijs’ als adagia van de ondersteuners door. Ten derde kwam de organisatorische en inhoudelijke optimalisering van de VGC-ondersteuners op gang: het schoolopbouwwerk werd geherstructureerd, Triptiek integreerde in Voorrangsbeleid Brussel vzw, de opdracht van Taalvaart veranderde, BITS² schreef zich in het taalvaardigheidsonderwijs in…
Een nieuw VGC-accent was in 2002 de aanpak van de huisvestingsproblemen in het onderwijs. De Vlaamse Gemeenschapscommissie kon, dankzij bijkomende middelen van de Lombard- en Lambermontstaatshervormingen, het initiatief nemen om grootschalige renovaties voor Brusselse schoolgebouwen op te zetten.
1.6 En het secundair onderwijs? (1990-nu)
Voor 1990 besteedden het VOC, de NCC noch de Vlaamse Gemeenschapscommissie veel aandacht aan het secundair onderwijs in Brussel. Hierboven kon je reeds lezen dat de grootste bezorgdheid in het basisonderwijs lag.
Begin jaren negentig werd de alarmklok geluid over de nog steeds dalende leerlingenaantallen in het secundair onderwijs. In 1975-1976 telde het Brussels Nederlandstalig secundair onderwijs nog 17708 leerlingen, in 1993-1994 was dit teruggelopen tot 12441. Zowat een kwart van de secundaire scholen was ondertussen verdwenen. De instroom van (Nederlandstalige) leerlingen van buiten Brussel bleek te verminderen: zij kozen meer en meer voor scholen in de Brusselse Rand, waar inmiddels een aantrekkelijk aanbod van secundair onderwijs tot stand was gekomen.
Er kwamen maatregelen om het secundair onderwijs kwantitatief op te krikken. Vanaf 1997-1998 publiceerde het VOC bijvoorbeeld een aparte VOC-gids voor het secundair onderwijs (maar het visuele accent van de VGC-promotiecampagnes bleef toch lang op het basisonderwijs gericht). Vanaf het schooljaar 2000-2001 begon het globale leerlingenaantal in het secundair onderwijs langzaam terug te stijgen. In 2002-2003 werd, ook wegens de steeds scherper wordende vraag naar knelpuntberoepen, de VGC-promotiecampagne volledig op het secundair onderwijs en knelpuntberoepen gericht: de campagnes beelden jongeren af, de twaalfjarigen binnen én buiten Brussel krijgen het aanbod van de Brusselse secundaire scholen in de bus, een flink deel van de campagne loopt in de Rand…
Ook hier ‘verbrusselde’ de leerlingenpopulatie echter: minder instroom van leerlingen van buiten Brussel, meer niet-Nederlandstalige leerlingen, meer leerlingen van allochtone herkomst. Naar ‘taal’ en ‘culturele achtergrond’ was het secundair onderwijs in het schooljaar 2000-2001 te vergelijken met het lager onderwijs in het schooljaar 1990-1991. De roep naar bijkomende ondersteunende maatregelen werd dan ook groter en groter, de aanwezige maatregelen konden de stijgende nood niet lenigen.
In 2004-2005 kreeg het Brussels Nederlandstalig onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap toelating om met het experiment ‘Brussels Curriculum’ te starten. Hierdoor krijgen de scholen de mogelijkheid in de eerste graad flexibeler om te springen met lespakketten om in te spelen op de noden van hun zeer gedifferentieerd leerlingenpubliek.
Vanaf het schooljaar 2005-2006 wordt een netoverschrijdende ondersteuningsdienst BROSO opgestart, enigszins vergelijkbaar met wat Voorrangsbeleid Brussel vzw in het basisonderwijs is. Deze ondersteunende dienst moet leerkrachten helpen hun manier van lesgeven beter af te stemmen op hun leerlingengroep, zonder afbreuk te doen aan het bereiken van de eindtermen.
De inspanningen die de Vlaamse Gemeenschapscommissie doet voor de huisvesting van scholen gelden grotendeels ook voor het secundair onderwijs.
1.7 En andere onderwijsvormen?
In het Deeltijds KunstOnderwijs stond sinds lang de kwantitatieve concurrentie met de Franstalige DKO centraal. O.a. volgende maatregelen moesten beide systemen voor de burger evenwaardig maken, zodat een vrije keus mogelijk werd:
- Toen in het Vlaams DKO inschrijvingsgelden werden ingevoerd, dreigden veel Vlamingen over te stappen naar het toen nog kosteloze Franstalige DKO. Daarom betaalde de Vlaamse Gemeenschapscommissie gedurende een tijd de inschrijvingsgelden terug.
- In het Franstalig DKO kunnen leerlingen zich vanaf de leeftijd van 5 jaar inschrijven, in het Nederlandstalig DKO ligt de inschrijfleeftijd hoger. Daarom subsidieert de Vlaamse Gemeenschapscommissie de zogenaamde preacademielessen
- Vanuit de Vlaamse Gemeenschap worden ook Brusselnormen, vergelijkbaar met die in het basisonderwijs, gehanteerd: een hoger aantal lesuren-leraar per leerling voor sommige niveaus, andere rationalisatienormen.
Het hoger onderwijs in Brussel onderging tot voor enkele jaren de Vlaamse onderwijshervormingen (fusies, BAMA…), zonder dat er van een specifieke Brussel situatie echt sprake was. De Vlaamse Gemeenschapscommissie was dan nagenoeg ook niet betrokken op het hoger onderwijs. Wel waren er enkele acties om afgestudeerden als inwoners van het Brusselse Gewest te behouden. Vanaf 2002 worden echter regelmatig vragen vanuit het hoger onderwijs aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie gesteld: huisvestingsproblemen (2003), financiële steun voor met verdwijnen bedreigde studierichtingen (2004), taalondersteuning voor de steeds groter wordende groep van oorspronkelijk anderstalige leerlingen die op (academisch) taalvak toch nog hiaten hebben (2005),…
Het volwassenenonderwijs is eveneens pas vanaf het eind van vorige eeuw actief in het gezichtsveld van de Vlaamse Gemeenschapscommissie gekomen. Drie verschillende insteken kunnen onderscheiden worden.
- Voor al dan niet beroepsgerichte opleidingen met traditioneel een Nederlandstalig publiek voert de Vlaamse Gemeenschapscommissie sedert 1999 promotie via de ‘grote cursusaanbod’-campagne.
- Voor taallessen Nederlands voor volwassenen was er vanaf 1999 de Spraakmaker-gids (in 2005 opgevolgd door de BXL L Nederlands-gids), een doorverwijsinstrument voor taallessen Nederlands voor volwassenen. Op de arbeidsmarkt steeg immers de vraag naar kennis van het Nederlands. Het Huis van het Nederlands Brussel optimaliseerde vanaf 2002 het onthaal en de doorverwijzing van cursisten (pijler 1), tegelijk nam de Vlaamse Gemeenschapscommissie ook maatregelen om het taallesaanbod kwalitatief verder uit te bouwen (pijler 2).
- Binnen een paar specifieke richtingen tenslotte speelt de Vlaamse Gemeenschapscommissie met middelen uit het Stedenfonds in op maatschappelijke noden.